Kleurrijke berm als wapen tegen plagen en biodiversiteitsverlies

Reportage Bermen van Nederland           Pieter Hotse Smit     10 juli 2019  Volkskrant.nl

Het wemelt langs veel wegen nog niet van de bloemen en vlinders, terwijl bermen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de biodiversiteit in Nederland. De Vlinderstichting probeert terreinbeheerders bewust te maken van de waarde van kleurrijke bermen. ‘Kijk: een distelvlinder, die zijn hier echt niet elk jaar!’

 

Anthonie Stip
van De Vlinder-stichting in de berm langs de N244 bij Purmerend, waar het vol staat met bloemen.

Foto: Freek van den Bergh/ de Volkskrant

De eikenprocessierups is niet alleen gehypet, we hebben haar ook aan onszelf te danken. Door de eindeloze hoeveelheid eiken langs wegen, maar ook – en dat is zijn vakgebied – door de inrichting van bermen eronder, zegt Anthonie Stip (27) van De Vlinderstichting. ‘Door grootschalig, intensief beheer is het leefgebied van natuurlijke vijanden van de eikenprocessierups steeds kleiner geworden.’

Stip wil het positief houden en neemt ons allereerst mee naar daar waar het wél wemelt van de frontsoldaten tegen de invasieve rups (en andere plagen), zoals de gaasvlieg, sluipwesp en mier. ‘Daar heb je al een hommel’, zegt hij vanaf het fietspad. Twee stappen de berm in langs de N244 bij Purmerend en de sprinkhanen dansen voor je uit tussen de grote ratelaars, margrieten en knoopkruid. De molshopen ertussen bewijzen dat het wel goed zit met het bodemleven. ‘Deze berm is het pareltje van de provincie Noord-Holland’, zegt de jonge, bevlogen ecoloog.

Basis voor ons ecosysteem

In tijden van een biodiversiteitscrisis – in 2017 vastgesteld in een omvangrijke Duitse studie en recentelijk wereldwijd samengevat in een rapport van het VN-diversiteitspanel IPBES – verdient de berm volgens Stip alle aandacht. Hij ziet hem als de lijst om een schilderij, de basis voor ons ecosysteem. ‘Goed beheerd kunnen de eindeloze linten zorgen voor de dooradering van het landschap. Doe je dat niet, dan is het systeem minder robuust en ontvankelijk voor verstoring door bijvoorbeeld de eikenprocessierups.’

Over de veelbesproken gevolgen die de terughollende biodiversiteit heeft voor de mens, wil Stip het eigenlijk niet hebben. Dat insecten zorgen voor de bestuiving van onze gewassen en dat de achteruitgang een gevaar is voor onze voedselvoorziening. ‘Door daar de nadruk op te leggen, stel je de mens centraal’, zegt hij. ‘Terwijl de natuur intrinsieke waarde heeft. Als je hier staat, besef je dat je niet de enige soort bent op aarde.’

Dan is Stip afgeleid. ‘Kijk: een distelvlinder, die zijn hier echt niet elk jaar!’ Hij begint een enthousiast verhaal over hoe die via Israël en Finland vanuit Afrika hierheen is komen fladderen en uiteindelijk weer terug zal gaan om op zijn geboortegrond te sterven. Het kan niet op: daar gaat een bruin zandoogje. ‘Die vlinder staat in heel Europa onder druk.’ Prachtig allemaal, vindt de ecoloog die zich als kind al verdiepte in vogels en tijdens zijn studie in Wageningen verknocht raakte aan de entomologie.

De belangrijkste truc voor een berm vol insecten is simpel, volgens Stip: laat in de zomer maaien. Dat geeft de planten tijd voor het aanmaken van zaden, waardoor ze het jaar erop weer in groten getale opkomen. Om tal van redenen gebeurt dit op veel plaatsen niet, zoals even verder westwaarts richting Alkmaar.

Anthonie Stip van De Vlinderstichting springt over een slootje langs de N244 richting Alkmaar, waar de berm niet goed wordt beheerd.
Foto: Freek van den Bergh/
de Volkskrant

Klepelmachine

Hij houdt een hand dor gras vast. ‘Hier is een klepelmachine overheen geweest’, zegt hij. ‘Die maait niet, maar hakt alles fijn. De goedkoopste en meest efficiënte methode noemen ze dat, omdat ze de gehakselde resten niet hoeven af te voeren. Maar aan deze veelgebruikte methode kleven de nodige nadelen, die niet bij de prijs zijn inbegrepen.’

Zo stapelt het organisch materiaal op, waardoor te hoge bermen geregeld voor veel geld afgegraven moeten worden. Bovendien wordt ook bermafval tot microplastic vermalen en gaan bij regen ook de stilzittende vlinders eraan. En dan zijn er nog de meststoffen in de achtergebleven resten, waardoor wildgroeiers als brandnetel, berenklauw en fluitenkruid de overhand krijgen ten koste van soorten die meer insecten aantrekken.

Bij terreinbeheerders is het vaak onwetendheid, weet Stip. In gesprekken benadrukt hij dan hoe doodeenvoudig het is om van de groene woestijn te komen tot de kleurrijke bermen. In het buitengebied is het inzaaien van zadenmengsels – die vaak uitheems zijn – bijvoorbeeld niet  nodig. Gewoon gebruikmaken van de zadenbank die al een eeuwigheid in de bodem zit. Weer tot leven te kussen door tenminste vijf jaar lang het gemaaide groen af te voeren. De wilde peen, orchidee en rolklaver steken als vanzelf weer de kop op.

Vergisters

Over het afvoeren van restmateriaal maakt Stip zich nog wel zorgen. Met name vanwege de opkomst van vergisters, die met onder meer bermgras en dierlijke mest groen gas produceren. Hij vreest voor het agrarisch verdienmodel, waarbij provincies en gemeenten net als boeren niet twee, maar zes keer per jaar gaan maaien vanwege het geld dat het gras opbrengt in vergisters. Het is de omgekeerde boskapdiscussie: misschien goed voor het klimaat dat schone gas, maar funest voor de biodiversiteit langs wegen.

Gelukkig voor Stip en andere voorvechters van de natuur is daar het Deltaplan Biodiversiteitsherstel dat eind vorig jaar werd gepresenteerd. In het plan dat natuurclubs, boerenorganisaties, bedrijven en wetenschappers ontwikkelden na de alarmerende Duitse insectenstudie worden bermen expliciet genoemd om de biodiversiteit een kontje te geven.

De Vlinderstichting bedacht daarvoor het bermenkeurmerk Kleurkeur. Met een index van 1 tot 5 worden bermen beoordeeld op het aantal soorten planten en insecten. ‘Inmiddels zien we dat aannemers onze index gebruiken’, zegt Stip. ‘Die zeggen dan bijvoorbeeld tegen de provincie: als wij jullie bermen mogen beheren, dan zorgen we ervoor dat jullie bermindex in drie jaar van 2 naar 2,5 gaat.’

Het komt er volgens Stip al met al op neer dat de natuur in bermen wat meer met rust moet worden laten. Bij de eikenprocessierups, die veel jeuk kan geven, gaat dit volgens hem ook mis. ‘Met het wegzuigen van de nesten verdwijnt ook het arsenaal aan hulptroepen dat op een natuurlijke manier strijdt tegen de plaag.’

Hij stroopt zijn mouw op. ‘Hier: brandwonden van het sap van de pastinaak’, zegt hij wijzend naar de gele plant. ‘Daarvan zeggen we toch ook niet: die is gevaarlijk, weg ermee. Gewoon mijn eigen schuld, ik had uit de buurt moeten blijven.’

U kunt meer lezen over de Leestafel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *