Vergroenen in Leiden: een mooie droom?

Leidsch Dagblad, zaterdag 11 mei 2019  –  Opiniebijdrage  Arjan Korevaar (voorzitter Bomenbond Rijnland)

Het staat er zo veelbelovend in het Beleidsakkoord 2018-2022: ‘Het college gaat tenminste elk jaar rapporteren over de toevoeging van groen. Ook laat het de impact zien op de soortenrijkdom in de stad. Om ambities voor vergroening waar te maken investeren we in ambtelijke capaciteit om vroegtijdig in projecten werk te maken van vergroening. Ook stellen we een stadsecoloog aan.’
Inmiddels is het College ruim een jaar onderweg en hebben we veel mooie woorden, maar nog geen enkele rapportage gezien. Dat gebrek aan feitenmateriaal is zorgwekkend, omdat daarmee de basis voor beleid ontbreekt. Wat voorbeelden:

* In het nieuwste plan, de Groene Kansen Kaart lezen we – net als één jaar geleden in de uitwerkingsnota Groene Hoofdstructuur – dat de ‘kansen en knelpunten in het ecologisch netwerk nog nader moeten worden uitgewerkt’. Tegelijkertijd wordt er voor meer dan 40 locaties precies aangegeven wat er veranderd moet worden. Hoe weten we nou of dit ook de meest cruciale plekken zijn binnen het ecologisch netwerk en dat daarmee de beste keuze is gemaakt voor de inzet van miljoenen euro’s belastinggeld?

Het vorige College heeft ruim twee ton uitgegeven aan een onderzoek naar de Groene Kaart, een belangrijk onderdeel van de Kapverordening. Wat heeft dit onderzoek opgeleverd? Niemand die het weet. Nieuwe bomen of parkjes aanmelden voor de kaart aanmelden heeft in ieder geval geen zin: de nieuwe ingewikkelde puntentelling legt de lat veel te hoog. Bovendien lijkt dit College geen belangstelling te hebben voor dit instrument (de laatst vastgestelde versie dateert uit 2016).

Bij het uitgeven van een kapvergunning kan een storting in het ‘Bomenfonds’ worden opgelegd. Dat is geld – nu al ruim 2 mln – waarmee nieuwe bomen moeten worden geplant. Hoeveel bomen de laatste jaren zijn gekapt en hoeveel bomen met dit geld zijn aangeplant, is niet bekend. Waarom wordt dit niet bijgehouden? De 250 nieuwe bomen die volgens de Groene Kansen Kaart moeten worden geplant, zijn in ieder geval maar een fractie van het totale aantal dat de afgelopen jaren is verdwenen.

Naast het ontbreken van feitelijke onderbouwing wil het ook organisatorisch maar niet lukken. Het vorige College heeft zwaar ingezet op verbetering van de interne procedures: tijdig bestaande bomen meenemen in nieuwe ontwerpen, betere afweging tussen het belang van groen en het belang van ‘stenen’ en ook in het beheer goed de kapbepalingen voor ogen houden.

Weer wat voorbeelden:

Een fact-check was nodig (zie deze krant van 20 april) om aan te tonen dat het raadsbesluit uit 2016 over o.a. de Valkbrug niets zegt over de plek waar de brug aan wal komt. Op die plek staan wel bomen van een halve eeuw oud, maar dat was er niet bij verteld. De raadsleden hadden op dat moment dus niet het totale plaatje, inclusief de mogelijke kap.

Op 25 september jl. heeft wethouder Leewis de raad een brief gestuurd over verbeteringen in de processen rond bomen zoals beheer, vergunningen en handhaving. Alle betrokken afdelingen en hun specifieke verantwoordelijkheden worden benoemd, maar de afdeling die zich met bouwen en slopen bezig houdt nou net niet. Die afdeling is een duiventil van tijdelijk ingehuurde medewerkers die vaak niet op de hoogte blijken van deze interne afspraken. En dat leidt weer tot nieuwe plannen, waar opeens bomen in de weg blijken te staan.

En wanneer de ene afdeling de aannemer van de Rijnlandroute zo ver krijgt om bomen te laten staan en zo voorzichtig om een sperwernest heen te werken, stuurt een andere afdeling een kabellegger er juist weer rakelings langs! (april 2019, talud Bio Science Park).

De aangekondigde ambtelijke versterking blijkt neer te komen op twee extra dagen per week en ook de stadsecoloog mag voor twee dagen per week aan de slag: samen o.8 fte dus. Met zo weinig uren verwacht je toch dat deze ecoloog zich vooral richt op de hoofdzaken, zoals de kansen en bedreigingen in het ecologisch netwerk in en om Leiden? In plaats daarvan wordt bij de behandeling van menig deelproject om zijn mening geroepen, zodat hij straks verzuipt in details en niet toekomt aan het formuleren van een bredere visie. En die visie is juist zo hard nodig. Immers: de bouwopgaaf van 8500 woningen, het willen omploegen van parken tot sportplaatsen, het aanleggen van rondwegen, kortom: alle activiteiten die beslag leggen op ruimte, vormen een aanslag op de steeds schaarsere plekken voor natuur.

Samenvattend:
de ambitie voor het vergroenen en het toenemend beslag op ruimte kunnen niet zonder een betere feitelijke onderbouwing, een sterkere interne regie en een stevige politieke aansturing. Wanneer deze zaken ontbreken, blijft de wens om te vergroenen een mooie droom.