Bioloog Marco Roos: ’Biodiversiteit is niet leuk lief en aardig, maar jeukt en kriebelt’

Bioloog Marco Roos: ,,Laat de natuur zoveel mogelijk, gewoon zijn gang gaan.
Waarom zou je het geen kans geven?’’   © Foto Taco van der Eb

DE GOOI EN EEMLANDER   –  Binnert Jan Glastra  08/04/2019

Leiden

Maatregelen tegen de opwarming van de aarde staan tegenwoordig stevig op de kaart in veel gemeenten. Niet zelden krijgen ’groen’ en ’biodiversiteit’ een prominente plek in bouwplannen en beleid. Alleen hebben gemeenten vaak niet goed door wat die woorden betekenen, meent Marco Roos, onderzoeker van Naturalis Biodiversity Center en Universiteit Leiden. „Het wordt vaak gezien als iets functioneels wat netjes binnen de lijnen moet. Daar ligt het grote probleem: accepteren we biodiversiteit zoals die echt is, en niet zoals we wénsen dat die is?”

De honderdduizenden woningen die er gebouwd moeten worden, de massa windmolens en zonnepanelenweides waaraan gedacht wordt om CO2-neutraal elektriciteit te kunnen opwekken, leggen een stevige claim op de beschikbare ruimte in het land. En al hebben plannenmakers en overheden de mond vol over groene inpassing daarvan, de Nederlandse biodiversiteit komt volgens bioloog Marco Roos flink onder druk te staan zolang zij daarmee geen échte biodiversiteit bedoelen.

„Je kunt niet alle ’groen’ over één kam scheren. Er is duidelijk ecologisch kwaliteitsverschil tussen de verschillende ’tinten’’’, zegt Roos. Dat er nu allerlei bouwmaterialen zijn die het voor bijvoorbeeld vogels en vleermuizen makkelijker maken zich te vestigen, is leuk, maar ontoereikend.

,,Het is geen snoepwinkel waar je naar believen een vleermuis of een vogel uit kunt kiezen. Biodiversiteit is niet altijd lief, leuk en aaibaar Meestal jeukt het, kriebelt het of wat dan ook. Schimmels, dood hout vol met larven, paddenstoelen tussen de stoeptegels, dát is biodiversiteit.”

Klinisch dood

„Laat een dode boom staan, laat mossen in je gazon of aan kademuren lekker zitten, een modderig pad is niet erg. En kijk naar bodemorganismen. Iedereen wil vlinders, maar verder spuiten we het vooral plat, zelfs de rupsen van die vlinders. Bruine bodemplekken trekken veel insecten. Als je het echt over biodiversiteit hebt, dan bestaat de helft daarvan uit insecten. Een kwart is schimmels, de rest is alg en dit (Roos wijst op een flinterdun lijntje in een taartdiagram) zijn vogels…”

De praktijk wijst volgens Roos ook nog eens uit, dat de daad vaak niet bij het woord gevoegd wordt. „Willen we het eigenlijk wel? Als ik kijk naar recente gebouwen op het Leidse Bio Science Park, dan vind ik die eigenlijk klinisch dood. Het is allemaal puur onderhoudsvrij.’’

Roos ziet in de stad Leiden twee inbreidingen aan de Boshuizerkade en in woonwijk Nieuw Leyden, die volgens hem veel meer versteend zijn dan nodig. ,,In het Leidse beleid staat ook dat ze natuurinclusief bouwen om ’ruimte te bieden voor dieren die het leven in de stad veraangenamen’. In die visie staat het groen volledig ten dienste van de mens. Maar het is natuurlijk eigenlijk andersom.”

Eilandvorming

De bioloog waarschuwt bovendien voor eilandvorming. Plannenmakers moeten voorkomen dat er amper verbindingen zijn tussen de stukken stadsgroen als ze de vele nieuwe woningen intekenen. „Anders ontstaat geen goed ecologisch netwerk. En bedenk daarbij ook dat het netwerk voor een mier heel anders is dan voor een vogel.”

Het liefst zou Roos zien dat de natuur zoveel mogelijk gewoon zijn gang kan gaan in de stad. Als ergens in een hoekje een plant door het asfalt breekt, van alles en nog wat welig tiert op een braakliggend terrein, als een pad door veelvuldig gebruik modderig wordt: „Laat het. Waarom zou je het geen kans geven? Vegetatie ontstaat, heeft stadia en een geschiedenis, een ondergrondse en een bovengrondse ontwikkeling.”

Hij snapt uiteraard ook wel, dat gemeentebesturen de boel niet volkomen zullen laten verwilderen. Maar een beetje meer soepelheid en variatie is volgens hem wel hard nodig. „Het hoeft niet allemaal volgestopt te worden met bloeiende gewassen. Bruine bodemplekken trekken veel insecten. En er wordt wel eens gewezen op het aantal plantensoorten in steden. Maar het zijn wel allemaal dezélfde, geïntroduceerde soorten. Je krijgt dezelfde eenheidsworst ten koste van het oorspronkelijke.”

En dat laatste maakt stadsnatuur kwetsbaar, aldus Roos. „Daar ligt een probleem. Als je een systeem hebt dat gedragen wordt door hele lage biodiversiteit, dan stort het systeem in als er een stukje tussenuit valt. Maar overal zijn mogelijkheden om het anders in te richten. Met verticaal groen, groene daken, stadslandbouw, gevelgroen, dakterrassen… Je moet er alleen even mee leren spelen.”

Spontaniteit

De stadsbewoners, ten slotte, spelen ook een hele belangrijke rol. Alle stadstuinen in Nederland bestrijken samen zo’n 300 vierkante kilometer. Om het in perspectief te plaatsen, dat is ongeveer zes keer de oppervlakte van natuurgebied Oostvaardersplassen. Maar de stadsbewoners richten al die ruimte vaak onderhoudsarm in met veel tegels, klinkers, kunstgras… Alles om te voorkomen dat er veel in de tuin gewerkt moet worden om het netjes te houden.

Voor Roos ligt ook daarin een belangrijk probleem. Waarom moet het per se netjes en ordentelijk zijn? „Het draait ook om acceptatie en perceptie. Accepteren we biodiversiteit zoals die is, en niet zoals we wénsen dat die is? Biodiversiteit draait om spontane ecologische processen. Hoe meer spontaniteit, hoe duurzamer de stad wordt.”